Home Up Contents

Rekenen
 

 

Home
Up

Hieronder vindt u een afstudeerproject. Dit afstudeerproject is gemaakt in het kader van module 3 'Instrumental Enrichment' van de Stibco. Het geeft inzicht in het leren rekenen. Dit afstudeerproject is ook als thema aan de orde geweest bij het oudernetwerk in mei 2006.

                                                  

      2

             x

         3

=

             9  (en ik doe mijn eigen zint)

 

 

Masterproof module 3 StiBCo

Helen van den Berg

Mei 2006


 

Voorwoord

 

Voor u ligt de eindopdracht van module III van de cursus instrumental enrichment van de StiBCo: Voorbereidend rekenen; hoe leren kinderen rekenen?

Daarbij werd vooral gekeken naar welke cognitieve functies er in gezet moeten worden bij het voorbereidend rekenen en zijn daar stadia in te ontdekken. Om dit te kunnen analyseren is er gebruik gemaakt van de cognitieve kaart.

 

Om tot deze eindopdracht te komen heb ik gebruik mogen maken van materiaal en tips van anderen; Ans Appelman, Ria Hendriks, Marianne van de Linden en Annemarie Vlieg. Om telkens op het goede spoor te blijven heb ik een aantal reflectie gesprekken gevoerd met Annemarie. Verder heeft Emiel van Doorn mij vanuit de StiBCo begeleid. Allemaal mijn hartelijke dank hiervoor!

 

Helen van den Berg

Mei 2006

 

 

 


 

Voor Maxime…

 


 

Inleiding

 

Deze opdracht is geschreven in het kader van module 3 ‘Mastercursus Instrumental Enrichment’ van de StiBCo.

Doel van de masterproof is het toepassen van het gedachtegoed van Feuerstein op een door jezelf gekozen terrein.

 

Als onderwerp heb ik gekozen voor ‘voorbereidend rekenen; hoe leren kinderen rekenen?’.

 

In onze samenleving is het kunnen leggen van kwantitatieve relaties van groot belang; denk maar aan koken en de weegschaal of kooktijd, of aan boodschappen doen, waar is het goedkoper, reizen, hoe laat komt de bus, of een feestje geven, hoeveel mensen komen er en hoeveel taart moet ik dan kopen.

Wanneer een bepaald niveau van rekenen behaald kan worden, betekent dit een grotere zelfstandigheid en daardoor mogelijk een grotere kans op ‘gelukkig zijn’.

 

Om grip te krijgen op dit onderwerp heb ik als kapstok ‘het maken van een cognitieve kaart’ gekozen. Binnen de pedagogische driehoek is het onderwerp gesitueerd onder de poot “middelen”.

 

 

                                                                Gemedieerde

 


 

                                      Middelen                                         Mediator

 

 

                                                                                                                                                       Pedagogische driehoek

 

In de loop van het proces bleek dat het onderwerp niet met één cognitieve kaart te vatten is.

Afhankelijk van visie op rekenen en van de definitie van voorbereidend rekenen worden in de literatuur verschillende aspecten van voorbereidend rekenen genoemd Uiteindelijk zijn het 7 cognitieve kaarten geworden met vooraf nog een aantal aanvullende voorwaarden. Deze aanvullende voorwaarden zijn niet vervat in een cognitieve kaart.

Leren rekenen is uiterst complex en iemand die wil leren rekenen heeft een lange weg te gaan. Dit geldt natuurlijk ook voor de mediator, die het proces begeleidt. De mediator zal een positieve houding moeten en hebben en vol vertrouwen het proces in moeten gaan. Het vergt doorzettingsvermogen, maar ook goede kennis van het proces ‘leren rekenen’.

Het maken van de cognitieve kaarten heeft ertoe bijgedragen inzicht te krijgen in de eisen die ‘rekenen’ stelt. Door meer inzicht te krijgen in dit onderwerp is het makkelijker om de reacties/antwoorden van de gemedieerde beter te begrijpen. Dit leidt dan weer tot betere selectie van het materiaal waarmee in de zone van naaste ontwikkeling gewerkt kan worden.

 

Natuurlijk is het noodzakelijk om inzicht te verwerven in het aanvankelijk rekenen, de volgende stap in rekenen, en het uiteindelijk rekenen. Dit valt buiten deze opdracht.

 

In de bijlage treft u nog enkele cognitieve kaarten aan van spelletjes waarbij vaardigheden van (voorbereidend rekenen) moeten worden ingezet.

 
 

Hoe leren kinderen rekenen?

 

Voorbereidend rekenen of getalbegrip

 

Het elementair getalbegrip is een voorwaarde voor het leren rekenen. Getalbegrip bestrijkt hoeveelheids- en volgordeaanduiding.

Daarnaast is het verwerven van inzicht in allerlei logische relaties, waarvan het getalbegrip slechts een aspect vormt, nodig. Getalbegrip is niet alleen het resultaat van een hiërarchisch voor te stellen ontwikkeling van na elkaar te doorlopen fasen. Het gaat om een combinatie van verschillende, deels gelijktijdig optredende aspecten in de algemene ontwikkeling van het denken.

 

Piaget beschreef een aantal fasen in de rekenontwikkeling dit start vanaf de geboorte:

 

0-11/2: manipulerende ervaringen op sensomotorisch niveau, veel herhaling. Het kind legt een verbinding tussen waarneming en begrip. Het kind ontwikkelt voorstellingen van relaties.

 

1 ½ tot 3 1/2 : al experimenterend en manipuleren zelf verwoorden (etiketteren). Ordenen en etiketteren van zaken als rekenen in ruime zin (snoepjes eerlijk verdelen)

 

3 ½ - 6: voorbereidend rekenen in engere zin.

 

In de literatuur zijn er verschillende opinies over de voorwaarden die nodig zijn om te komen tot getalbegrip:

 

Piaget, Van Erp, Dumont e.a. zeggen dat tellen de eerste stap is.

Piaget noemt daarnaast conservatie, seriatie en classificatie.

Gal’perin en Davydov vinden begrip van maat belangrijk.

Van Erp e.a. noemen nog correspondentie en daarbij kennis van cijfers en rekensymbolen worden als noodzakelijke technische vaardigheden gezien.

Lambert-Anema noemt hanteren van rekentaalbegrippen belangrijk.

 

Verder wordt ‘vergelijken’ in sommige rekenmethodes nog genoemd. Vergelijken vormt een basisvaardigheid die een rol speelt bij alle andere voorwaarden,

In de verschillende rekenmethodes zie je dit verschil van inzicht terug; er worden andere accenten gelegd.

 

Van alle bovengenoemde voorwaarden is een cognitieve kaart gemaakt, met uitzondering van rekentaalbegrippen en kennis van cijfers en rekensymbolen. Deze twee voorwaarden worden hieronder summier besproken.

 

Getalbegrip is zo gereduceerd tot een combinatie van verschillende aspecten die in de ontwikkeling voor en tijdens het rekenen optreden, elkaar kunnen aanvullen, beïnvloeden en compenseren. Het inzicht in logische relaties is daarbij een ruimer begrip dan het getalbegrip.

 

Als basis voor het getalbegrip zijn twee zaken zeer belangrijk:

:

-          Handelen: Bezig zijn met concrete werkelijkheid; zoveel mogelijk zintuigen leveren een bijdrage aan het lijfelijk ervaren van begrippen.

-          Een bepaald abstractieniveau: een bepaald niveau van logisch denken, waarbij de leerling los kan komen van het hier en het nu, van het directe moment en de concrete situatie. (Logisch denken: De redenen noemen van een gemaakte keuze (antwoord), het redeneren. Stibco, module II, methodiek 2.6-4)

Als je getalbegrip hebt, kun je zonder fouten te maken tellen volgens de één op één relatie en weet je dat bij het bepalen van het aantal de volgorde van de elementen niet van belang is. Belangrijk is dat bij het tellen elk getal tegelijk de rangorde en het hoofdgetal (kardinaal getal) aanduidt, en elk nummer tegelijk ook het aantal van alle tot dat toe getelde objecten aangeeft.

 

Elementair getalbegrip ontstaat al vanaf de geboorte en groeit uit tijdens de eerste drie à vier jaar van de basisschool. De verschillende aspecten van getalbegrip hoeven niet aanwezig te zijn voordat men met het rekenprogramma start. Deze aspecten komen juist (gedeeltelijk) door oefening tot stand. Gedurende het leerproces moeten deze aspecten wel gelijktijdig mee ontwikkelen

 


Rekentaalbegrippen

 

Om met  ruimte, hoeveelheid, vorm, bewerkingen, meten en wegen om te kunnen gaan is het nodig om rekentaalbegrippen tot je beschikking te hebben (cognitieve functie: etiketteren)

 

De basis voor rekentaalbegrip is het inzicht in hoe je de realiteit kunt ordenen, getalbegrip en begrip van wat de tekens voorstellen.

Aanvankelijk gebruikt een kind gewone taal en langzaam ontstaat meer formele taal; dit gebeurt tijdens het ontwikkelen van denkend handelen en ontwikkelen van rekentaal. De telrij is de eenvoudigste formele taal. Elk telwoord is niet gebonden aan een specifiek voorwerp , maar hoort bij een volgende. De getallen vormen een woordenschat, die je zelf kunt aanmaken en uitbreiden.

 

Voorbeelden van belangrijke begrippen

-          Ruimtelijk: *afstand: dichtbij, veraf * eigenschap: lang, langer, langst en zo ook met kort, groot klein, hoog, laag, gelijk, ongelijk, zelfde * plaats: voor(aan), midden (in), achter (aan), boven (aan), onder (aan), naast, tussen , tegenover. * rang: eerste, tweede etc middelste, volgende, laatste * richting: links, rechts, boven, onder.

-          Hoeveelheid: veel, meer, meest, weinig etc, alle, geen, helft, een, twee etc, vijftal, tiental etc.

-          Vorm: lijn, regel, hoek, rond, driehoek, rechthoek, cirkel, vierkant.

-          Bewerking: erbij, eraf, eruit, verdelen, evenveel, gelijk, hetzelfde, is, is gelijk aan.

-          Meten en wegen: lang-kort, groot-klein, dik-dun, hard-zacht, vlug-langzaam, hoog-laag, licht-zwaar

 

 

Kennis van cijfers en rekensymbolen.

 

Het kind moet de betekenis kennen van de cijfers 1 tot en met 9 en 0, en van de symbolen +, - en =. Later komen daar x, > en < bij.

 

Aan het cijfer 0 moet specifieke aandacht besteed worden om problemen te voorkomen. Bij maatbegrip moet men altijd starten met 0 en zo ook bij de getallenrij.

 

 
 

 


 

 COGNITIEVE KAART VAN ‘voorbereidend rekenen – vergelijkingen maken’

 

Doelstellingen in het materiaal vervat

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

1

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

FASE

 

 

 

Opname

(probleem onderkennen en definiëren

SENSOMOTORIEK: visueel, evt. tactiel, evt. auditief. (CF, waarnemen, niet impulsief zijn, nauwkeurig zijn)

 

PERCEPTIE:

Vergelijken: informatie die binnen komt vergelijken met informatie in het lange termijn geheugen op kenmerken als langer, korter, groter, kleiner etc. (CF: categoriseren, etiketteren, vergelijken)

 

COGNITIEF NIVEAU.

Vergelijken: Begrijpen wat de vergelijking inhoudt: is iets groter of kleiner etc.

 

 

verwerking

(nadenken en op zoek gaan naar een adequate oplossingstrategie)

COGNITIE: leggen van relaties. Bepalen ‘wat moet ik hier doen’ Vergelijken maken: vergelijken van twee elementen op gekozen kenmerken en bepalen van de indeling (groter dan, kleiner dan etc), de relatie wordt gelegd.

 

PERCEPTIE: geheugen; vast leggen van de nieuwe informatie, oproepen van bestaande kennis (vergelijken, relaties leggen), Het automatiseren van de nieuwe kennis (opslaan in het geheugen). Adaptie door assimilatie en accommodatie (Piaget[H.M.1] ). Als ik mijn output terug hoor en zie, wat vind ik dan van het resultaat (nieuwe cirkel van doorlopen van de pijplijnmodel).

 

SENSOMOTORIEK: feedback (controleren)

Vergelijkingen maken: klopt de vergelijking op gekozen kenmerk.

 

 

 

Weergave

(correct formuleren van het antwoord)

COGNITIEF

vergelijkingen maken: rangschikken gedachten over vergelijking: op welk kenmerk (-en) hebben we vergeleken, wat zijn de overeenkomsten en verschillen en wat is het resultaat van die vergelijking

 

PERCEPTIE

vergelijkingen maken: (verbaal)

 

SENSOMOTORIEK: uitvoering van het gekozen plan van aanpak onder cognitie en gekozen middel onder perceptie.

 

 

 

 

 

2

 

 

 

OPERATIE

Goed waarnemen, systematisch zoeken en benoemen, evt. onder een categorie vatten, nauwkeurig en zorgvuldig zijn en de verschillende bronnen van informatie samen voegen. Verbanden leggen en logisch beredeneren, verinnerlijken en denkstappen onder woorden brengen.

 

 

CF: waarnemen, nauwkeurig zijn, niet impulsief zijn, etiketteren, gegevens verzamelen, mogelijk ruimtelijke relaties leggen, relaties leggen, vergelijken.

 

 
 


 

 

Beschrijving van het materiaal

 

 

 

3

 

 

 

Inhoud

Vergelijkingen maken:  Vergelijken is kijken naar overeenkomsten en verschillen. Bij voorbereidend rekenen is bijvoorbeeld belangrijk; is het meer, minder of evenveel, groter of kleiner.

 

 

 

4

 

 

 

Modaliteit

Concreet materiaal, pictoraal, verbaal

 

 

 

5

 

 
 
Complexiteit

 

Kan laag zijn als er op 1 kenmerk wordt vergeleken

 

 

laag/midden/hoog

 

 

 

6

 

 
 
Abstractieniveau

Met concreet materiaal is het abstractieniveau laag (ook afhankelijk van de bekendheid met het materiaal). Ga je vergelijken met getallen (is drie meer of minder dan vier) gaat het abstractie niveau omhoog (zonder concreet materiaal).

 

laag/midden/hoog

 

 

 

 

7

 

 

 

Efficiëntie niveau

Vanaf 1 ½ jaar: snoepjes eerlijk verdelen, daarna steeds verder ontwikkelen naar meer abstractere vergelijkingen.

 

  


 

 

DE COGNITIEVE KAART VAN ‘voorbereidend rekenen - verschillende telvaardigheden’ (gebruiken van telwoorden, synchroon tellen, resultatief tellen, verkort tellen)

 

 

Doelstellingen in het materiaal vervat

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

1

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

FASE

(zie ook lijst

 

 

Opname

(probleem onderkennen en definiëren

SENSOMOTORIEK: informatie komt binnen: visueel, auditief, tast/motoriek

 

PERCEPTIE: welke informatie wordt herkend: telrij; eerst akoestisch, later meer als strategie om te ordenen. Het kenmerk aantal moet gediscrimineerd worden en niet de uiterlijke vorm van de te tellen elementen van de verzameling.

 

COGNITIEF NIVEAU: het getal wijst naar een element in de verzameling, de volgorde waarin de elementen worden geteld doet er niet toe, maar het getal betreft altijd een volgend element (een element mag niet twee keer geteld)

 

 

verwerking

(nadenken en op zoek gaan naar een adequate oplossingstrategie)

 

COGNITIEF NIVEAU

 

Akoestisch tellen: het leren etiketteren

Asynchroon tellen: het etiketteren is gelukt (juiste volgorde), de handeling erbij voegen is nog moeilijk

Synchroon tellen: relatie leggen tussen handeling (aanwijzen) en het zeggen van het getal.

Resultatief tellen: relatie leggen tussen het laatst genoemde getal en het aantal van de getelde verzameling.

Verkort tellen: relatie leggen tussen getalbeeld (bijvoorbeeld dobbelsteenstructuur) en aantal

 

 

Weergave

(correct formuleren van het antwoord)

 

COGNITIEF NIVEAU: plannen van de output

Akoestisch tellen: opzeggen van een versje

Asynchroon tellen: opzeggen van de telrij en trachten aan te wijzen

Synchroon tellen: ik zeg een getal en tegelijk wijs ik een element aan.

Resultatief tellen: ik tel de elementen en noem het laatste getal als aantal/hoeveelheid van de verzameling

Verkort tellen: ik herken het getalbeeld en van daaruit tel ik verder.

 

PERCEPTIE: keuze van de middelen

Akoestisch tellen: verbaal

Asynchroon tellen: verbaal en via lichaamstaal/motoriek

Synchroon tellen: verbaal en via lichaamstaal/motoriek

Resultatief: verbaal en via lichaamstaal

Verkort tellen: verbaal, evt via lichaamstaal

 

SENSOMOTORIEK; uitvoer spreken  of spreken en handelen

.

 

 

 

 

 

 

 

2

 

 

 

 

OPERATIE

Waarnemen en benoemen van wat ik waarneem,  verband leggen tussen benoemen en motoriek, relaties leggen tussen het getelde en het laatst genoemde getal. Relaties leggen tussen getalbeeld en aantal, hoeveelheden bepalen, nauwkeurig zijn.

 

CF: waarnemen, nauwkeurig zijn, niet impulsief zijn, ruimtelijke relaties, etiketteren, vergelijken, relaties leggen, logisch denken, verinnerlijken, opslaan in geheugen.

  
 


 

 

 

Beschrijving van het materiaal

 

 

 

3

 

 

 

Inhoud

Tellen: het voorbereidende tellen omvat het leren weergeven van de juiste volgorde van de getallen. Tellen is dan 1. opzeggen van de telrij vanaf 1 (aftellen), 2. het kunnen doortellen vanaf een ander getal dan 1 (doortellen) en het kunnen terugtellen vanaf een willekeurig getal onder de tien (terugtellen).  De fasen in dit soort tellen zijn: akoestisch tellen, het asynchroon tellen en het geordend tellen.

Later kom het resultatief (4) en verkort tellen (5), dit valt onder aanvankelijk rekenen.

  1. akoestisch tellen: het tellen is niet meer dan het opzeggen van een versje
  2. asynchroon tellen: (Ong. 4 jaar) tellen en handelen gaan nog niet samen (= correspondentieprincipe). De telwoorden worden wel in de juiste volgorde gebruikt.
  3. geordend tellen: (vanaf ong. 4 ½ jaar). Ongeordend materiaal moeten de leerlingen eerst ordenen; het getelde voorwerp opzij schuiven, soms in groepjes leggen, later turven.
  4. resultatief tellen: (vanaf ong. 5 jaar). Weten dat tellen met 1 moet beginnen en dat alle voorwerpen eenmaal geteld moeten worden en het laatst genoemde getal heeft de totale hoeveelheid aan (kardinaal aspect). Lastige fase!
  5. Verkort tellen: (vanaf 5 ½ - 6 jaar). De leerlingen gaan uit van een getalbeeld dat ze herkennen (bijv. de dobbelsteen structuur) of van de laatst aangeduide hoeveelheid (kardinaal aspect).

 

4

 

Modaliteit

Verbaal, pictoraal, figuraal, evt. numerisch, via lichaamstaal (motoriek)

 

5

 

Complexiteit

 

Laag complex

 

laag/midden/hoog

 

6

 

Abstractieniveau

1 t/m 3 midden abstract

4 en 5 hoog abstract

 

laag/midden/hoog

 

 

 

 

 

7

 

 

Efficiëntie niveau

Akoestisch tellen:  drie jaar.

Asynchroon tellen: vanaf 4 jaar.

Synchroon tellen: vanaf 4 ½ jaar.

Resultatief tellen: vanaf 5 jaar.

Kinderen van 5 ½ tot 6 jaar zijn in staat tot verkort tellen.

DE COGNITIEVE KAART VAN ‘voorbereidend rekenen – corresponderen’

 

 

Doelstellingen in het materiaal vervat

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

1

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

FASE

(zie ook lijst

 

 

Opname

(probleem onderkennen en definiëren

SENSOMOTORIEK: visueel, auditief, tast.

 

PERCEPTIE: herkenning van de elementen van de verzameling, nieuwe elementen opslaan

Herkennen van de getallenrij, visueel of auditieve informatie.

 

COGNITIEF NIVEAU: betekenis verlening aan de elementen

 

 

 

verwerking

(nadenken en op zoek gaan naar een adequate oplossingstrategie)

 

COGNITIEF NIVEAU: er wordt een relatie gelegd tussen de elementen van twee verzamelingen, of tussen een verzameling en de getallenrij. Aanvankelijk 1 op 1, later bijvoorbeeld ook 1 huis met 4 gezinsleden etc.

 

 

 

 

Weergave

(correct formuleren van het antwoord)

 

COGNITIEF NIVEAU: plannen van de output, bijvoorbeeld twee elementen bij elkaar leggen, of verbaliseren en aanwijzen.

 

PERCEPTIE: motorisch, verbaal

 

SENSOMOTORIEK: Uitvoer: handelen/spreken.

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

2

 

 

 

 

 

 

OPERATIE

Tijd nemen om waar te nemen, vergelijken van de verzameling (en), nauwkeurig en zorgvuldig zijn, verbanden leggen tussen de verzameling, herkennen van het probleem, motoriek van verbale uiting combineren, vastleggen in geheugen.

 

 

 

CF: waarnemen, nauwkeurig zijn, niet impulsief zijn, ruimtelijke relaties, vergelijken, relaties leggen, logisch denken, verinnerlijken

 
 



 

 


 

 

BESCHRIJVING VAN HET MATERIAAL

 

 

 

3

 

 

 

Inhoud

Corresponderen: Het kind moet aantallen kunnen vergelijken door middel van het leggen van één-één relaties. Als een kind het correspondentieprincipe begrijpt,kan hij resultatief leren tellen.

 

Bij het corresponderen van verzamelingen is hoeveelheidaanduiding overdraagbaar (transitief). Drie appels is evenveel als drie turven etc. Deze transitieve eigenschap gebruik je bij jonge kind nominale aanduidingen te geven voor vaste aantallen ( 1 als hoofd, 4 als de vier tafelpoten, 5 als de vijf vingers aan mijn hand). De ordinale aanduiding geeft de ordening van deze nominale aanduidingen in oplopende hoeveelheid, zodat je een vergelijking kunt maken met een nieuwe hoeveelheid voorwerpen: meer, minder of evenveel dan de vingers aan mijn hand.

 

Regels: tel elk element een keer, gebruik de telwoorden in de afgesproken volgorde (ordinaal aspect), het laatst genoemde telwoord geeft steeds de al getelde hoeveelheid aan (kardinaal aspect)

 

 

4

 

 

Modaliteit

Concreet materiaal, pictoraal, verbaal

 

 

 

5

 

 
 
Complexiteit

 

Één-één relaties: laag complex

 

 

Laag/midden/hoog

 

 

 

6

 

 
 
Abstractieniveau

In concrete situaties: laag abstract.

In telle.n: het hardop tellen en tegelijkertijd aanwijzen van voorwerpen is abstracter door het gebruik van symbolen nl. cijfers. Zonder concreet materiaal hoog abstract.

laag/midden/hoog

 

 

 

 

 

 

7

 

 

 

Efficiëntie niveau

Vanaf ongeveer 4 ½ jaar. Dit is de leeftijd waarop kinderen synchroon tellen kunnen leren.

 

 
 

 

DE COGNITIEVE KAART VAN ‘voorbereidend rekenen – classificeren’

 

Doelstellingen in het materiaal vervat

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

1

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

FASE

(zie ook lijst

 

 

Opname

(probleem onderkennen en definiëren

SENSOMOTORIEK:

Visueel of auditief informatie verzamelen, evt. tactiel

 

PERCEPTIE: welke kenmerken van de informatie moet er gebruikt worden; het gaat om overeenkomstige kenmerken. Welke kenmerken kennen we al, welke zijn nieuw en moeten verinnerlijkt worden

 

COGNITIEF NIVEAU: welke betekenis heeft de informatie: vorm verwijst naar vierkant, cirkel etc, grootte verwijst naar maat, kleur verwijst naar rood, blauw etc.

 

 

verwerking

(nadenken en op zoek gaan naar een adequate oplossingstrategie)

 

COGNITIEF NIVEAU: hier worden de relaties gelegd tussen de verschillende kenmerken, welke komen overeen, welke verschillen en welke behoren dan tot dezelfde klasse. Kunnen ze op grond van andere kenmerken tot een andere klasse behoren.

 

 

 

Weergave

(correct formuleren van het antwoord)

 

COGNITIEF NIVEAU: plannen van de boodschap; welke groepje (klasse) maak ik eerst en op grond van welk kenmerk en zo verder voor elk volgend groepje.

 

PERCEPTIE: verbaliseer (gesproken/geschreven) ik de output of laat ik het zien (concreet materiaal)

 

SENSOMOTORIEK: uitvoer spreken, schrijven en of handelen

.

 

 

 

 

 

 

 

 

2

 

 

 

 

 

 

OPERATIE

Tijd nemen om waar te nemen, systematisch zoeken (welke kenmerken komen bij alle elementen voor), hoe benoem ik dat kenmerk, nauwkeurig zijn, welke kenmerken zijn relevant voor de ordening, wat komt overeen en ordenen van de kenmerken in klasse, vastleggen in het geheugen, controleren, beargumenteren van de indeling.

 

 

 

CF: waarnemen, nauwkeurig zijn, niet impulsief zijn, etiketteren, gegevens verzamelen, ruimtelijke relaties, relaties leggen, vergelijken, selecteren, elimineren, logisch denken, verinnerlijken, plannen.

 


 

 

Beschrijving van het materiaal

 

 

 

3

 

 

 

Inhoud

Classificatie: Ordenen van voorwerpen op grond van hun onderlinge overeenkomsten.

 

Ordenen van een werkelijkheid, die in principe is te kwalificeren en waar je logische handelingen mee kunt doen. Het kunnen omgaan met de logische aspecten van de ordening in (deel-)verzamelingen is een essentiële pijler in het leren denken. Het is fundamenteel voor het begrip van wat een getal is. 

 

 

 

 

4

 

 

 

Modaliteit

Concreet materiaal, pictoraal, verbaal

 

 

 

5

 

 
 
Complexiteit

 

Afhankelijk van het aantal elementen die geordend moeten worden, op hoeveel kenmerken wordt er geclassificeerd en hoeveel groepen ontstaan er.

 

 

 

laag/midden/hoog

 

 

 

6

 

 
 
Abstractieniveau

Abstractieniveau kan laag zijn met concreet materiaal. Afhankelijk van gebruikte concepten: kleur, vorm, dikte en grootte zijn al abstractere concepten.

 

 

 

laag/midden/hoog

 

 

 

 

 

 

7

 

 

 

Efficiëntie niveau

Leeftijd: begint bij 1 ½ jaar en breidt zich daarna uit.

 


 

 

DE COGNITIEVE KAART VAN ‘voorbereidend rekenen – maatbegrip’

 

Doelstellingen in het materiaal vervat

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

1

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

FASE

 

 

 

 

opname

SENSOMOTORIEK: Visueel, auditief, tast.

 

PERCEPTIE: herkennen van (motorische) informatie: stappen, touwtje, stuk karton, potlood en deze informatie uit de stroom van info halen.

 

COGNITIEF NIVEAU.: wat kun je met de verkregen informatie doen: stappen: een afstand overbruggen, een touwtje spannen, touwtje kan je ook iets mee vastbinden. karton leggen, idem potlood, potlood kun je ook mee tekenen. Deze zaken kun je gebruiken om mee te meten, maat (uitbreiding begripsniveau)

 

 

 

 

 

Verwer-king

 

 

COGNITIEF NIVEAU

 

Leggen van de relatie: doel-middel; afstand meten – gebruikte maateenheid. Uitkomst is afhankelijk van gebruikte maateenheid: Als ik de kamer meet met stappen heb ik 50 stappen. Als ik de kamer meet met het touw is de kamer 4 touwtjes groot. Oorzaak-gevolg: Dat komt omdat mijn touwtje langer is dan mijn stap: het is een andere maat.

 

 

 

 

 

 

weergave

 

COGNITIEF NIVEAU: plannen van de output: ga ik de handeling laten zien en licht ik het verbaal toe? Vertel ik eerst wat ik ga doen en laat ik het dan zien.

 

PERCEPTIE: keuze uit verbaal, motoriek

 

SENSOMOTORIEK: uitvoer van handeling en / of spreken.

.

 

 

 

 

 

 

 

 

2

 

 

 

 

 

 

OPERATIE

Goed waarnemen en nauwkeurig zijn, benoemen wat ik doe, kijken wat er verandert en wat blijft hetzelfde, samenvoegen van de vergelijkingen die ik heb gemaakt van de verschillende maten, probleem herkennen, verbanden leggen en logische bewijzen vinden om te beargumenteren, vastleggen in het geheugen, denkstappen onder woorden brengen.

 

 

 

CF: waarnemen, nauwkeurig zijn, niet impulsief zijn, ruimtelijke relaties, vergelijken, relaties leggen, analyseren, logisch denken, breed denken, verinnerlijken

 

 


 

 

Beschrijving van het materiaal

 

 

 

3

 

 

 

Inhoud

Maatbegrip: Hoeveelheid hangt af van de gekozen maat.

Meten is van belang voor het inzicht dat getallen relatief zijn. Essentieel is het juiste begrip van ‘eenheid’. Een eenheid is zo groot of zo klein als wij hem kiezen. Als de maat eenmaal vaststaat , is meten tellen geworden. De eenheid is afhankelijk van de maat.

De gemedieerde moet onderscheid leren maken tussen: het te meten object, de gebruikte meeteenheid of de maat, het getal, dat de verhouding tussen objecten en maat uitdrukt.

Een goed maatbegrip is de basis voor verhoudingen, procenten, etc. De tafels van vermenigvuldiging veronderstellen in feite ook dit begrip van wisselende maten.

 

 

 

4

 

 

Modaliteit

Concreet materiaal, pictoraal, met lichaamstaal

 

 

5

 

 
Complexiteit

 

Laag als er gekozen is voor 1 maateenheid

Hoger als er een keuze gemaakt moet worden voor maateenheid, of als maateenheden vergeleken worden.

 

 laag/midden/hoog

 

 

 

6

 

 
 
Abstractie-niveau

Kan laag abstract zijn door gebruik van een concreet middel: bijvoorbeeld de kamer is 100 voeten lang.

Hoog als er verschillende maateenheden gebruikt worden.

Inzicht in relativiteit van getallen.

 

 

laag/midden/hoog

 

 

 

 

 

7

 

 

Efficiëntie niveau

Leeftijd: 6 à 7 jaar.

 

 


 

 

DE COGNITIEVE KAART VAN ‘voorbereidend rekenen- conservatie’

 

Doelstellingen in het materiaal vervat

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

1

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

FASE

 

 

 

Opname

(probleem onderkennen en definiëren

SENSOMOTORIEK: visuele informatie is belangrijk, mogelijk ook tactiel

 

PERCEPTIE: welke kenmerken zijn van belang: hoeveelheid, aantal, maat etc. welke kenmerken worden herkend

 

COGNITIEF NIVEAU: herkenning van de voorwerpen

 

 

verwerking

(nadenken en op zoek gaan naar een adequate oplossingstrategie)

 

COGNITIEF NIVEAU: Irrelevante kenmerken moeten geëlimineerd worden, relevante kenmerken geselecteerd, er wordt vergeleken van de ene situatie met de andere situatie en er worden relaties gelegd.

 

 

 

 

Weergave

(correct formuleren van het antwoord)

 

COGNITIEF NIVEAU: plannen van de output, welk kenmerk is hier essentieel, bijvoorbeeld hoeveelheid, welke kenmerken misleiden, en wat is dan de conclusie.

 

PERCEPTIE:verbaal, motorisch (aanwijzen)

 

SENSOMOTORIEK: uitvoer door spreken of handelen

.

 

 

 

 

 

 

 

 

2

 

 

 

 

 

 

OPERATIE

 

Tijd nemen om waar te nemen, etiketteren en verinnerlijken van kenmerken, het probleem herkennen en de relevante aanwijzingen selecteren, verbanden leggen en vergelijken, logisch bewijs zoeken, vastleggen in het geheugen, mogelijk controle door teststrategie, hoeveelheid bepalen.

 

 

CF: waarnemen, nauwkeurig zijn, niet impulsief zijn, etiketteren, gegevens verzamelen, ruimtelijke relaties, vergelijken, relaties leggen, elimineren, selecteren, logisch denken, onveranderbaarheid inzien, verinnerlijken

 


 

 

Beschrijving van het materiaal

 

 

 

3

 

 

 

Inhoud

Conservatie: een hoeveelheid blijft hetzelfde ongeacht zijn uiterlijke verschijningsvorm (het relevante kenmerk vasthouden en niet laten misleiden door visuele informatie).

Conservatie, als deel van getalbegrip, komt tot ontwikkeling door vaardigheden als tellen, taalgebruik en meten.

 

 

 

4

 

 

Modaliteit

Concreet materiaal, verbaal, pictoraal.

 

 

 

5

 

 
 
Complexiteit

 

Laag

 

 

laag/midden/hoog

 

 

 

6

 

 
 
Abstractieniveau

Midden – hoog: Het essentiële kenmerk moet vastgehouden worden, maar de waarneming kan misleiden.

 

 

 

 

laag/midden/hoog

 

 

 

 

 

 

7

 

 

 

Efficiëntie niveau

Conservatie komt tot ontwikkeling door vaardigheden als tellen, taalgebruik en meten. Leeftijd: vanaf 6 jaar (met concreet materiaal).

 


 

 

Literatuurlijst

 

 

-          Borghouts-van Erp, J.W.M. Rekenproblemen: opsporen en oplossen, Orthovisies, Wolters-Noordhoff, 1981

 

-          Bosch, H.,  Reken maar van Yes 1, 2, 3, 4, Down en Up 65 t/m 68

 

-          Bouwers, H, Goor, H. van; Diagnostiek en behandeling van rekenproblemen, Voorbereidend rekenen, pag. 84 – 100, 1996

 

-          Haywood, C., Brooks, P., Burns, S.; Bright Start, 1998

 

-          Luit, H. van, Rijt, B. van de; De Rekenhulp voor kleuters, Graviant educatieve uitgaven, Doetichem, augustus 1995

 

-          StiBCo, Instrumental Enrichment, module II

 

-          Vijver, W. van de, Wert, P. de, Potze, C., Rekenen en zorgverbreding, SON Opleidingen, Eindhoven,1998

 

BIJLAGE

 

DE COGNITIEVE KAART VAN Halli Galli, het spel met de bel

 

Doelstellingen in het materiaal vervat

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

1

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

FASE

 

 

 

 

opname

Input: opname fase, hoe het bij het kind binnen komt, wat er binnen komt en de betekenis van wat er binnen komt

 

Telkens de kaart bekijken die open gelegd wordt. Bepalen welk stukje fruit er wordt getoond, goed waarnemen, categoriseren, onthouden en bepalen hoeveel van die stuks fruit wordt neergelegd, tellen. Afhankelijk van het aantal spelers moet je meer of minder onthouden.

 

 

 

 

 

 

verwerking

 

Verwerking: welke processen moeten er plats vinden, relaties moeten gelegd worden etc.

 

Fruit uit dezelfde categorie van de verschillende kaarten moeten worden samengevoegd, optellen. Men moet rekening houden met de categorie en het aantal. Kleur is een hulpmiddel, maar zou als extra element kunnen worden aangemerkt. Essentieel zijn vorm/soort, kleur en aantal stuks fruit en het aantal medespelers, dat wil zeggen het aantal open liggende stapeltjes. Wanneer er met de bel wordt gespeeld wordt ook de factor tijd belangrijk.

 

 

 

 

weergave

Output: plan maken hoe weer te geven, op welke wijze en de uitvoering

Men mag op de bel drukken als er 5 stuks totaal zijn van 1 categorie fruit. De weergave kan mondeling of auditief/motorisch zijn (de bel). De bel is vrij groot en makkelijk te bedienen. Wanneer men zonder bel werkt dan kan men het stuk fruit benoemen. Wanneer taal een probleem is, kun je een kaartje maken om te laten zien (weergave visueel).

 

 

 

 

2

 

 

 

OPERATIE

Goed waarnemen, etiketteren, vergelijken, sorteren, niet impulsief zijn, etiketteren, goed tellen, rekening houden met meerdere elementen; vorm, aantal, tijd (kleur). Classificeren, flexibiliteit. Kardinaal getalbegrip. Inprenting.

 

Benodigde woordenschat: concepten: kleur, aantal en soort. Kleuren kunnen benoemen en fruitsoorten kunnen benoemen, hetzelfde, verschillend, totaal, samen.

 

  

 

Beschrijving van het materiaal

 

 

 

3

 

 

 

Inhoud

56 speelkaarten, met eenvoudige afbeeldingen van fruit erop, 1 hotelbel en de spelregels. De verschillende soorten fruit hebben een verschillende kleur. Bananen geel, aardbeien rood, pruimen paars (zouden ook rode druiven kunnen zijn), en druiven groen (zou ook citroenen kunnen zijn)

Het aantal afgebeelde stuks fruit per kaart varieert van 1 tot 5. Als opstap zou je cijfers 1 tot en met 5 kunnen neerleggen en vragen om de kaarten onder het juiste getal te leggen. (waarnemen, etiketteren, tellen)

 

 

 

4

 

 

 

Modaliteit

Van te voren is het goed om tesamen te bepalen hoe het fruit wordt genoemd: er zijn duidelijk bananen. aardbeien en pruimen maar de vierde afbeelding kan men citroen of druif noemen.

Modaliteit is visueel. De bel speelt ondergeschikte rol en is auditief.

 

 

 

5

 

 
 
Complexiteit

 

Zodra er 5 gelijke vruchten open op ieders aflegstapeltje ligt dan probeert een ieder als eerste te bellen. Tellen van de aantallen, aantal kaarten te tellen afhankelijk van het aantal spelers. Als je met de bel speelt moet er rekening gehouden worden met reactiesnelheid voor het bellen. Men moet rekening houden met de juiste categorie. Midden complex: van welke fruitsoort zijn er vijf.

 

laag/midden/hoog

 

 

 

6

 

 
 
Abstractieniveau

Abstractieniveau is laag tot midden. De plaatjes zijn redelijk reëel, wel van te voren afchecken.

 

 

 

 

laag/midden/hoog

 

 

 

 

 

 

7

 

 

 

Efficiëntie niveau

vanaf 6 jaar, spelduur 15 minuten.

 

  

Cognitieve kaart, aanvullingen aan de hand van opbouw spel.

 

Halli Galli

 

Stappen

 

1.       Leg een cijferreeks van 1 tot en met 5 neer. (cijferkaartjes gemaakt). (kennis van cijfers)

 

2.       Etiketeer de fruitsoorten op de kaartjes van Halli Galli. Wat is er verschillend? (kleur, soort fruit of vorm: dit zijn dus kenmerken of gegevens waar mee gewerkt moet worden bij het spelen van Halli Galli). (kennis van kleur en soort, concreet en overkoepelend concept, goed waarnemen, etiketteren, vergelijken)

 

3.       Sorteren van de verschillende kaartjes met fruit onder de getallen: sorteren op aantal (aantal is nog een kenmerk of gegeven dat onderkend moet worden bij het spelen van Halli Galli). Een kind moet kunnen tellen. Bewust maken dat het voor het aantal niet uitmaakt met welk soort fruit we te maken hebben. (hé, dit is ook 1 banaan en dat is 1 aardbei, allebei 1; hetzelfde aantal, maar verschillend soort fruit).(kunnen tellen, sorteren)

 

4.       Nu van alle fruitsoorten 1 plaatje neerleggen en dan het kind de overige kaartjes laten sorteren op fruitsoort.(kenmerk of gegeven waarmee gewerkt moet gaan worden). Bewust maken dat aantal hier niet uitmaakt, maar wel de fruitsoort. Hoeveel bananen zijn dat? En hoeveel bananen zijn dat? Verschillend aantal, maar hetzelfde soort (sorteren, vergelijken, classificeren)

 

5.       Cijfers 1 tot en 5 neerleggen, 2 stapeltjes van te voren maken: setjes van 2 kaarten die opgeteld de som maken van 2 tot en met 5, bijvoorbeeld kaart van stapel 1 is 2 bananen, kaart van stapel 2 is 3 pruimen; samen 5, sorteren onder de 5. Het totaal tellen of hoeveel is het samen? (begin van optellen, van ordinaal, op volgorde, naar cijferbegrip naar kardinaal, aantal/hoeveelheid). Hier maakt de fruitsoort nog niet uit. (flexibiliteit).

 

6.       Zo je wilt kun je hier een zijstap maken en doorgaan op eenvoudige sommetjes. + en = 

 

7.       Nieuwe spelregel: 2 stapeltjes (van te voren klaarmaken), alleen de kaartjes van hetzelfde fruitsoort mogen worden opgeld en gesorteerd onder het cijfers. (bij deze stap moet rekening gehouden worden met 2 gegevens: aantal en soort).

 

8.       Nieuwe spelregel: Alleen de kaartjes met hetzelfde fruit mogen worden opgeteld en alleen als het totaal 5 is, mogen de twee kaartjes op tafel worden neergelegd. (om te oefenen kun je variëren met totaal aantal).

 

9.       Hetzelfde als 7, maar nu spelen als 2 spelers. Kind bewust maken dat ook nu de 2 kaarten bij elkaar opgeteld moeten worden.

 

10.   Eventueel gaan oefenen met meer spelers, 3, 4 spelers. Bewust maken dat dan 3 of 4 kaarten moeten worden opgeteld (flexibiliteit)

 

11.   Halli Galli spelen zonder bel.

 

12.  Halli Galli spelen met bel (tijd aspect invoeren als extra kenmerk waar rekening mee gehouden moet worden)

 

 

Bouwstenen

 

etiketteren

goed waarnemen

vergelijken

sorteren

classificeren

flexibiliteit

met meerdere elementen tegelijk kunnen werken

 

kunnen tellen, kennis van cijfers (1 tot en met 5

van ordinaal naar kardinaal cijferbegrip

+ en = of plus en is

 

Benodigde woordenschat

 

kleur

aantal

soort

hetzelfde

verschillend

totaal, samen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

DE COGNITIEVE KAART VAN ‘Geisslein versteck dich’, Haba

 

Doelstellingen in het materiaal vervat

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

1

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

FASE

 

 

 

 

opname

Sensomotorisch: De zes schuilplaatsen op tafel; de kleuren zien en onder elke dop wordt gestart met 5 geitjes (visueel, tactiel), zien dat er plaatjes op de doppen staan. De kleuren zien op de dobbelsteen.

Perceptie: tellen van het aantal geitjes, aantal en kleur is belangrijk bij dit spel.

Cognitief: Aantallen onder de doppen onthouden, betekenis verlenen aan de plaatjes op de schuilplaatsen, herkennen van kleuren.

 

 

verwerking

 

Oorzaak gevolg: Als ik een geitje mag redden of als de wolf een geitje pakt, dan is 1 geitje weg onder de dop, dan blijven er dus x-1 geitjes over. Dat aantal moet ik onthouden, samen met de kleur. Kleur en aantal zijn dus gekoppeld.

 

 

 

 

weergave

Cognitief: Als eerst moet ik goed tellen, dan aantal onthouden, maar gekoppeld aan de kleur. Vervolgens moet ik 4 of 7 geitjes zien te verzamelen en als de wolf er 6 heeft dan heeft iedereen verloren (moeilijke variant). Als ik de wolf heb moet ik het goede aantal zeggen anders ben ik mijn geitje kwijt aan de wolf. Als ik het niet meer weet kan ik kijken hoeveel geitjes er weg zijn onder de schuilplaats en zo uitrekenen hoeveel gitjes er in totaal nog in de schuilplaatsen moeten zijn.

Perceptie: ik moet verbaal een getal benoemen, zonder dat ik zicht heb op de geitjes. Tellen in je hoofd.

Sensomotorisch: ik noem het aantal en ik krijg 1 geitje of ik krijg de wolf.

 

 

 

 

 

 

2

 

 

 

 

 

OPERATIE

Goed waarnemen, tellen, kleuren herkennen, verinnerlijken, etiketteren, verbanden leggen, strategie.

 

Gebruikte concepten: kleur, aantal, tellen, onthouden.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Beschrijving van het materiaal

 

 

 

3

 

 

 

Inhoud

Spel gebaseerd op sprookje: De wolf en de zeven geitjes. Geheugenspel.

6 gekleurde schuilplaatsen met afbeelding: groen (badkuip), geel (aanrecht), rood (fornuis), oranje (bed), lila (tafel), blauw (kast): de schuilplaatsen zijn gemaakt in de vorm van een dop, van metaal. 30 geitjes, hoofdjes van geitjes van hout, vrij klein. 1 houten, zwarte wolf, 1 gekleurde dobbelsteen met zes verschillende kleuren, 1 gekleurde dobbelsteen met drie kleuren (voor de eenvoudige spelvariant), spelregels. Doel van het spel: Welk kind kan goed onthouden hoeveel geitjes zich in welke schuilplaats bevinden en slaagt er in om er zeven van de wolf te redden.

In de spelregels staat tevens het sprookje beschreven.

 

4

 

Modaliteit

Sensomotorisch, figuratief, kleur.

 

 

 

5

 

 
 
Complexiteit

 

Bij de eenvoudige variant moet rekening gehouden met drie verschuilplaatsen: gele, rode en blauwe. Daarbij moet je weten hoeveel geitjes er onder een verschuilplaats zitten. Je gebruikt de eenvoudige dobbelsteen en de wolf blijft uit het spel.

Bij de andere variant moet je rekening houden met 8 verschuilplaatsen en het aantal geitjes wat eronder kan zitten. Daarbij moet je rekening houden met het aantal geitjes wat je hebt gered en wat de andere spelers hebben gered en hoeveel geitjes de wolf te pakken heeft.

Midden complex.

 

laag/midden/hoog

 

 

 

6

 

 
 
Abstractieniveau

Laag: kleur gebruik, plaatjes van schuilplaatsen (wel figuratief), houten geitenkopjes en houten wolf, kleuren dobbelsteen.

 

 

 

 

laag/midden/hoog

 

 

 

 

 

 

 

 

 

7

 

 

 

 

 

 

Efficiëntie niveau

Aangegeven wordt 4 jaar. Afhankelijk van telgedrag; bij de eenvoudige variant moet tot 5 geteld kunnen worden.

Daarna toch lastiger 8-10 jaar.

 

DE COGNITIEVE KAART VAN ´logie blokken – schubi’

Doelstellingen in het materiaal vervat

 

 

 

 

 

 

1

 

 

 

 

Fase

 

 

Opname

 

 

 

 


 

Verwerking

 

 

 

 

 


 

Weergave

Sensomotorisch: visueel, tactiel waarnemen van vormen en kleuren,  maat (groot/klein, dik/dun)

Perceptie: 4 eenheden zijn van belang, zie hierboven

Cognitief: Herkennen van betekenis van de kleuren

 

 

Sorteren, vergelijken op 4 kenmerken

 

 

 

 

Cognitief: Een plan van aanpak: welk kenmerk 1, 2, 3 en 4

Perceptie: Motorisch, verbaal,

Sensomotorisch: pakken van de juiste vorm, communiceren van het logische bewijs.

 

 

 

2

 

 

Operatie

Niet blokkeren, waarnemen, geen impulsief gedrag, nauwkeurig zijn, etiketteren vergelijken, elimineren, selecteren, vergelijken, analyseren, systematisch zoeken, verinnerlijken, logisch denken.

 

Begrippenlijst: kleuren: Rood, blauw, geel, Vormen; vierkant, driehoek, cirkel, rechthoek, Maat: groot/klein en dik/dun

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Beschrijving van het materiaal

 

 

 

3

 

 

 

Inhoud

Vormen in de kleuren rood, blauw en geel

Materiaal: hout

4 kenmerken: vorm, kleur en maat (groot/ klein en dik/dun)

De vormen zijn in 1 kleur, dit is anders dan bij de originele logie blokken.

 

 

 

4

 

 

 

Modaliteit

Figuratief

 

 

 

5

 

 

 

 

Complexiteit

Midden complex, afhankelijk van de opdracht. Je kunt op vier kenmerken variëren.

 

 

 

6

 

 

 

Abstractie

niveau

Kleuren zijn vrij snel bekend (primaire kleuren), basisvormen: cirkel, vierkant, rechthoek, driehoek

Klein/groot, dik/dun

 

 

 

 

 

 

 

7

 

 

 

 

Efficiency niveau

 

 

DE COGNITIEVE KAART VAN ´ Murmel monsters´,  Ravensburger

Doelstellingen in het materiaal vervat

 

 

 

 

 

 

1

 

 

 

 

Fase

 

 

Opname

 

 

 

 

 


 

Verwerking

 

 

 

 

 


 

Weergave

Sensomotorisch: visueel, waarnemen van de gekleurde knikkers in het doosje en op de kaartjes

Perceptie: van belang zijn de kleuren van de knikkers en hun plaats

Cognitief: de relatieve ligging ten opzichte van elkaar moet geanalyseerd.

 

Relatieve ligging van de knikkers goed bekijken en vergelijken met de afbeelding op de kaartjes. Verinnerlijken van de patronen. Het matchen van het kaartje met het doosje. Vinden van logisch bewijs

 

 

Cognitief: Een plan maken om het logisch bewijs te verwoorden, vinden van ruimtelijke begrippen.

Perceptie: motorisch en verbaal.

Sensomotorisch: het pakken van het kaartje en het vertellen waarom dat het juiste kaartje is.

 

 

 

2

 

 

Operatie

Niet blokkeren, waarnemen, geen impulsief gedrag, nauwkeurig zijn, etiketteren (m.n. ruimtelijke begrippen), vergelijken, elimineren, selecteren, analyseren, systematisch zoeken, verinnerlijken.

 

Begrippenlijst: kleuren: geel, blauw, roze. Plaats:boven, midden, onder, rechts boven, rechts midden, rechts onder, links boven, links midden, links onder

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Beschrijving van het materiaal

 

 

 

3

 

 

 

Inhoud

1 doosje om te schudden (de buik van het monster), waarin 7 knikkers zitten in 3 verschillende kleuren: roze, geel en blauw.

36 monsterkaartjes.

Doel spel: je schudt het doosje en de knikkers vallen in een patroon, zoek daarbij het juiste monsterkaartje. Wie als eerste 5 kaartjes heeft gevonden wint.

 

4

 

Modaliteit

Knikkers in een doosje (concreet), figuratief op monsterkaartjes

 

 

 

5

 

 

 

 

Complexiteit

Matig – hoog, Je moet rekening houden met de plaats van 7 knikkers, daarbij kan het doosje enigszins gedraaid zijn.

 

6

 

Abstractie

niveau

Laag, de knikkers in het doosje zijn er daadwerkelijk en de afbeelding daarvan is te zien op de monsterplaatjes.

 

 

 

 

 

 

7

 

 

Efficiency niveau

Vanaf 6 jaar, nog wel lastig voor 6 jarige. Zoektijd per kaartje 2-3 minuten, spelduur 15 minuten

 

Aanvullingen Murmel monsters

 

Stappenplan

 

  1. Introductie van een murmel kaartje:

a)       Wat zie je: knikkers/ balletjes/rondjes? Hoeveel?

b)       Welke kleuren (etiketteren van de kleuren)?

c)       Op welke plaats liggen de balletjes (etiketteren van de posities)

d)       Laten zien van alle murmelkaartjes? Wat zie je? Zijn ze allemaal hetzelfde?

 

2.     Introductie van het doosje: Dit is de buik van het monster.

 

a. Wat zie je in de buik?

b. Wat gebeurt er als je ermee schudt (positie van de balletjes veranderen)?

Elke keer als de knikkers veranderen van positie dan past er een ander kaartje bij.

Kun je het juiste kaartje bij deze buik zoeken?

 

Ok we gaan beginnen

 

Eventueel later het spelletje spelen, wie het eerste het juiste kaartje heeft gevonden. Wie het eerste 5 murmel kaartjes heeft, is de winnaar.

 

DE COGNITIEVE KAART VAN NUMERO

 

Doelstellingen in het materiaal vervat

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

1

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

FASE

 

 

 

 

opname

 

Goed kijken naar het cijfer.

Goed tellen in het plaatje (oog-hand coördinatie): systematisch tellen

(gebaseerd op systematisch zoeken). Etiketteren van het plaatje en de onderdelen op het plaatje.

Nauwkeurig zijn; precies tellen.

Informatiebronnen samenvoegen: cijfer met goede plaatje matchen.

 

 

 

 

verwerking

 

Probleem benoemen: ik moet tellen, wat moet ik tellen. Ik moet tellen en het juiste cijfer erbij zoeken

Oplossingskalender: tellen, systematisch tellen

 

 

 

 

weergave

Speler hoeft niet noodzakelijk met taal het antwoord te geven: kan de plaatjes neerleggen zonder verbaal commentaar.

Niet impulsief zijn. Nauwkeurig zijn. Rustig blijven zoeken.

 

 

 

 

 

 

2

 

 

 

 

 

OPERATIE

Waarnemen, systematisch zoeken, benoemen, nauwkeurig zijn en eventueel bronnen van informatie samenvoegen in de opname fase.

 

Probleem zien en benoemen, verinnerlijken, een oplossingskader bepalen. plannen, een teststrategie vinden (aan de hand van de gebruikte kleuren) in de verwerkingsfase.

 

Begrijpelijk uitdrukken door het antwoorden te leggen met de plaatjes. Rustig blijven zoeken, gissen en missen vermijden, nauwkeurig zijn, nadenken voor te reageren.

 

 

 

 

 

 

 

 

Beschrijving van het materiaal

 

 

 

3

 

 

 

Inhoud

Legspel, aantal spelers: 1 tot 3 kinderen vanaf 4 jaar.

20 houten vierkanten plaatjes (memorie formaat). 1 duo bestaat uit een plaatje met een geschilderd motief en het andere plaatje bestaat uit een getal.

Het spel is in meerdere varianten te spelen. Tellen is bij alle varianten van belang.

Het is niet nodig om verbaal het antwoord te geven. Men kan de speler het antwoord laten leggen met de plaatjes.

 

 

 

4

 

 

 

Modaliteit

Een helft bestaat uit cijfers, maar de kleur van de geschilderde cijfers komt overeen met het kleurgebruik van het plaatje wat bij dat cijfer hoort, dat wil zeggen een speler zou kunnen matchen op kleur.

De andere helft bestaat uit concrete plaatjes.

 

 

 

5

 

 
 
Complexiteit

 

Variant 1: Cijfers op volgorde leggen. Kind moet getallen tot en met 10 kennen. Laag complex.

Variant 2: Concrete plaatjes op volgorde leggen. Tellen van aantal getoonde figuurtjes (bijv. 2 kersen). Laag complex

Variant 3: Getallen met plaatjes op volgorde leggen: 2 informatie eenheden. Laag complex.

Variant 4: Reactiespel, zo snel mogelijk bijbehorende plaatje vinden. Midden complex, door factor tijd. Al dan niet auditief cijfer benoemen/laten zien

Memorie: Onthouden van plaats plaatje, tellen en cijfers kennen. Midden complex

laag/midden/hoog

 

 

 

6

 

 
 
Abstractieniveau

 

Cijfers zijn abstract. Plaatjes zijn concreet. Voor kind waarschijnlijk herkenbare plaatjes. Eerst checken of kind plaatje kan benoemen (etiketteren).

Abstractieniveau: laag tot midden.

 

laag/midden/hoog

 

 

Evaluatie parameter

 

 

 

7

 

 

 

Efficiëntie niveau

 

Kind van 9 jaar moet tot 10 kunnen tellen, binnen een minuut.

(variant 1 en 2)

Matchen van plaatje en cijfer en dan op juiste volgorde: 5 minuten.

Variant 4: Zoeken van plaatje bij genoemd, getoond cijfer: 10 minuten

Variant 5: Memorie 15 tot 20 minuten.

 

 

 

 

 

DE COGNITIEVE KAART VAN ‘Set’

 

Doelstellingen in het materiaal vervat

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

1

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

FASE

 

 

 

 

opname

Sensomotorisch niveau: Informatie komt visueel binnen.

Perceptie niveau: er moet gediscrimineerd worden op kleur, vorm en aantal.(3 categorieën of concepten)

Cognitief niveau: Het herkennen van de kleur, vorm en aantal.

 

 

 

 

verwerking

 

Onderlinge relaties leggen, vergelijken op kenmerken (totaal gelijk, totaal verschillend of geen van beide (niet volledig verschillend of gelijk).

 

 

 

 

weergave

Cognitief: Plan van aanpak, in welke volgorde breng je de boodschap (voor beeld, kleur, vorm, aantal).

Perceptie: Keuze van taal (Set), keuze van motoriek (aanwijzen van set van drie kaarten).

Sensomotorisch: spreken en handelen

 

 

 

2

 

 

OPERATIE

Waarnemen, niet impulsief zijn, nauwkeurig zijn, gegevens verzamelen, etiketteren, vergelijken, relaties leggen, elimineren, selecteren, systematisch zoeken, plannen, classificeren.

 

Belangrijke concepten: vorm, kleur, aantal en patroon, vergelijken

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Beschrijving van het materiaal

 

 

 

3

 

 

 

Inhoud

81 kaarten, allemaal verschillend, onderscheiden zich met 4 eigenschappen, aantal (1,2, 3), kleur (rood, paars of turkoois), vorm (ovaal, balk of golf), patroon/vulling (leeg, halfleeg of vol).

 

 

 

 

 

4

 

 

 

Modatliteit

Figuratief. Kaarten met abstracte plaatjes.

 

 

 

5

 

 
 
Complexiteit

 

Complex bij het spelen van Set, rekening houden met 3 x 3 opties.

Midden complex.

 

 

 

 

laag/midden/hoog

 

 

 

6

 

 
 
Abstractieniveau

Abstracte plaatjes, midden

 

 

 

 

 

laag/midden/hoog

 

 

 

 

 

7

 

 

Efficiëntie niveau

Vanaf 10 jaar, spelduur 20 minuten bij spelen van Set.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Aanvullingen voor Set

 

 

Doel van spel:

Set. Een set zijn 3 kaarten waarvan alle 4 eigenschappen of precies gelijk zijn (per kenmerk) of volledig verschillend (per kenmerk).

 

Stapel gesloten op tafel, telkens 12 kaarten open leggen (3 x 4), iedereen probeert zo snel mogelijk een set te ontdekken.

 

Set’s easy

Spelen met de kaarten van 1 kleur (27 kaarten). De eigenschap kleur valt daardoor geheel weg. Spelen met 3 x 3 kaarten.

 

Set’s forever

Vanaf 3 spelers. Evenveel rondes als dat er deelnemers zijn. Set master schudt de kaarten en legt ze uit. Vult ook telkens kaarten weer aan. Set master speelt zelf niet mee. Aan het eind van het spel worden de punten van de spelers genoteerd.. Iedere gewonnen kaart levert 1 punt op.

 

Stappenplan

 

Etiketteren

 

1.        Etiketteren van de 3 verschillende kleuren: paars, rood, groen.

2.        Etiketteren van de 3 verschillende vormen: Rechthoek of balk, golf, ovaal.

3.        Etiketteren van de vulling/patroon: gevuld, gestippeld/half gevuld, leeg of geen patroon.

4.        Etiketteren van aantal: 1, 2 of 3 getoonde vormen.

 

Sorteren

 

1.        Op kleur

2.        Op vorm

3.        Op vulling/patroon

4.        Op aantal

 

Vergelijken

 

Twee stapels maken: Telkens 2 kaarten open leggen; benoemen waarin ze gelijk zijn en waarin verschillend. Bij het verwoorden ook het concept gebruiken (zie hoofdstuk 3 Jo Lebeer; Bouwen aan leren leren) dus:

Ze zijn verschillend in de vorm, namelijk deze heeft de vorm golf en die heeft de vorm van een balk.

Ze zijn verschillend in kleur, deze heeft de rode kleur, deze heeft de groene kleur.

 

Drie stapels maken: Telkens 3 kaarten open leggen: benoemen waarin ze gelijk zijn en waarin ze verschillen (zie hierboven).

 

Discrimineren en generaliseren

 

Twee stapels: Telkens 2 kaarten open leggen, benoemen in welk kenmerk de kaarten helemaal gelijk zijn en/of  in welk kenmerk de kaarten helemaal verschillen.

 

Drie stapels: Telkens 3 kaarten open leggen: benoemen in welk kenmerk de kaarten helemaal gelijk zijn en/of in welk kenmerk de kaarten helemaal verschillen.

 

Easy set spelen.

 

Set spelen.

 [H.M.1]Assimilatie is de mogelijkheid om nieuwe gegevens te koppelen aan reeds bestaande cognitieve schemata (= eerder opgedane, relevante ervaringen en kennis. Accommodatie is de verandering die iemand in zichzelf aanbrengt door bestaande schemata aan te passen aan de nieuw opgenomen informatie.

 

 

Last modified: donderdag, 04 september 2008